Maandagochtend. In walgelijke vroegte. Ik zit in de bus. De week is weer begonnen. De slaperigheid – deels door het tijdstip, deels door de busrit – komt langzaam opzetten. Lekker. Net wanneer ik bijna in de vergetelheid zak, stopt de bus en stommelen enkele mensen naar binnen. Geroezemoes. Nog voor ik mijn ogen weer wil sluiten, gebeurt het. Een verstikkende geur. Zoet. Indringend. Niet te missen. En deze neemt plaats op de stoel voor mij. Zonder zich van haar enorme walm bewust te zijn, gaat ze zitten en installeert ze haar tasje op de stoel naast haar. Ik zit als verstijfd achter dit scenario – gevangen in de geur – en vraag me af waar het mis is gegaan. Schoot het parfumflesje uit? Is het een manier van afschrikken? Een soort territoriumafbakening? Of werkt haar reukorgaan misschien niet optimaal? Maakt dit haar dan ontoerekeningsvatbaar? Wat het ook moge zijn, het is voor mij persoonlijk heel erg slecht te doen. Ik ben niet vies van een lekker geurtje, maar dit gaat het niveau geurtje ver te boven. Ik noem het een verviervoudiging van eau de cologne. Een aanval op de medemens. Het meisje probeert haar kapsel wat in het gareel te krijgen, hoewel daar niet bijzonder veel beweging in te krijgen is door de vele haarlak. Haar ogen zitten bijna net zo dicht als die van mij een paar minuten geleden. Bij haar echter niet door slaperigheid, maar een dikke laag mascara.
De bus komt weer in beweging en ze kijkt gemoedelijk uit het raam. Zij wel. Voor mij is de sfeer compleet omgeslagen. Lekker dutten is er niet meer bij. Mijn maag heeft zich ongeveer vijf keer omgedraaid en mijn hoofd duizelt. Ademhalen is kansloos. Ik kan een andere plaats zoeken in de bus, maar ik ben bang dat ik bij het opstaan neergeslagen word door de parfum. Ellendig. Ik zal hier nog drie kwartier in moeten vertoeven. 45 minuten. 2700 seconden. Ik denk dat mijn neus het niet overleeft. Mijn neusharen zijn zonder twijfel na drie minuten al verschroeid door de penetrante geur. Er valt niks meer aan te redden. Een frisse was. Pas gemaaid gras. Pannenkoeken. Ik zal het nooit meer kunnen ruiken.
Bij elke halte hoop ik vurig dat ze de bus verlaat, maar ze blijft rustig zitten. Natuurlijk. Waarom ook uitstappen? Wanneer eindelijk de laatste halte is bereikt – centraal station – pak ik als een dolle mijn jas en tas en stuif ik naar de deur. De deuren openen en zuurstof stroomt mijn neus binnen. De neusharen komen van pure blijdschap weer tot leven. Een verstikkende start van de week.
Bij deze wil ik een ode doen aan het fenomeen slapen. Wie deze zich steeds herhalende gebeurtenis heeft uitgevonden wil ik hoogstpersoonlijk bedanken. Een bloemetje, een reep chocola, een gouden vulpen, zegt u het maar! Mijn dank is zeer groot.
Slapen valt voor mij in de categorie hobbies. Het is toch werkelijk heerlijk om langzaam weg te doezelen in een zacht en warm bed. Eerst lig je nog enigszins wakker, af en toe met de ogen knipperend. Even later glijdt je bewustzijn weg naar andere oorden. Gevoel in de ledematen zwakt af, de hersenen dalen in hun activiteitsniveau. Langzaam maar zeker bevind je je in de vergetelheid. Dromen doemen op. Beelden, geluiden. Je hoeft er helemaal niets voor te doen! Is het niet fantastisch? En dat maar liefst -als je een beetje geluk hebt- acht uren lang. Heerlijk.
De voor velen welbekende powernap is iets wat ik nog niet aan den lijve heb ondervonden. Slapen is iets wat zich bij mij afspeelt van 's avonds laat tot 's ochtends -het liefst niet zo heel erg- vroeg. Overdag houd ik mij hier minder mee bezig. Toch pleiten veel mensen voor een kortdurend slaapje midden op de dag, zo rond het inkakmoment. Na deze zogenaamde powernap bruist een mens weer van energie en staat het te popelen om verder te gaan met de alledaagse bezigheden. 'Vier-uur-cup-a-soup' kan wel inpakken.
Het feit dat ik erg van slapen houd, heeft ook zijn keerzijde. Het verklaart namelijk hoogstwaarschijnlijk mijn niet zo goede humeur in de ochtend. Een heftige discussie over politieke standpunten of een gesprek over de uitstervende gorilla's in Uganda; aan mij is dit 's ochtends niet besteed. Onmogelijk. Mijn stembanden zullen weinig tot geen volume produceren. Na een heerlijke nacht slapen, moet ik het eerste uur van mijn dag even acclimatiseren, de gorilla's ten spijt.
Naarmate de dag vordert, komt het vooruitzicht van de nachtelijke rust weer in het vizier. Werkelijk een geniaal systeem; na een lange dag vol met studie, werk, sport, eten, drinken, lachen, fietsen, winkelen, schilderen, zingen, afwassen, gitaarspelen en andere bezigheden, is daar uiteindelijk het bed waar je in kunt rollen. Fantastisch! Goddank lijd ik niet aan insomnie.
Aan de mensen die niet in Groningen wonen, zou ik graag het een en ander uit de doeken willen doen over de Folkingestraat. Onder Groningers een bekende en beruchte straat. Zo roept deze straat ook bij mij een scala van gevoelens op.
De Folkingestraat kun je eigenlijk niet missen. Vanaf het centraal station is dit de straat waar je doorheen moet om in de binnenstad te komen. Wanneer je dit pad voor het eerst bewandelt denk je waarschijnlijk: "gut, wat een alleraardigst straatje!" De Folkingestraat heeft namelijk heel wat te bieden. Gezellige en aparte winkeltjes, een kapper, een ijssalon, een feestwinkel en een mengeling van culturen. Je kunt het zo gek niet bedenken of de Folkingestraat heeft het. Zelfs de verfijnde drugsproevers komen hier aan hun trekken in een heuse coffeeshop. Voor ieder wat wils.
Wanneer je echter al enkele weken, maanden of zelfs jaren in Groningen woont, gaat de Folkingestraat je steeds meer op de zenuwen werken. De hoofdreden hiervoor is dat in de Folkingestraat altijd -maar dan ook altijd- mensen voor je voeten, of in het ergste geval, voorwiel lopen. Ben je van plan om even snel de stad in te gaan, of ben je weer eens te laat voor een afspraak, vermijd dan deze ellendige straat, want voor je het weet lig je platvloers op de stenen. Snelheid maken in deze straat is eenvoudigweg niet te doen. Een oude man die abrupt stopt, een stelletje pubers die naast elkaar de hele weg verspert, of medefietsers die als een gek door deze smalle straat scheuren. Een schreeuw hier, een gil daar. De toeristen blijven er gemoedelijk bij lachen. De duiven pikken rustig door. Ik persoonlijk vind het hoogst irritant. Alleen al bij het aanzien van de Folkingestraat stijgen mijn cortisol-levels.
Helaas valt deze straat niet altijd te vermijden. Wanneer het moment dan aangebroken is om de route te kiezen die onvermijdelijk door de Folkingestraat gaat, zet ik mijn verstand en emoties op nul en waag ik mijn leven in deze bizarre straat. Eenmaal er doorheen gekomen, vraag ik me vol verbazing af hoe het me elke keer toch weer lukt. Heelhuids. Zonder kleerscheuren. De Folkingestraat is een sport op zich.
Het overkomt me elke keer weer. Ik probeer er iets op te verzinnen, om het te ontwijken, om het niet te laten gebeuren, maar helaas... het gebeurt! Elke week opnieuw. Als een soort terugkomende verkoudheid. Als een boomerang.
Vrijdag. De laatste dag van de week. De vijfde dag op een rij. Het valt eigenlijk net niet meer in de werkweek, maar het hoort ook nog niet bij het weekend. Het zit er precies tussen in. De vrijdag valt tussen wal en schip. En dat is natuurlijk vervelend. Want zeg nou zelf; wie wil er nou spartelend in het water liggen?
Op zo'n vrijdag voer ik dan ook altijd bijster weinig uit. Mijn rooster vertelt met dat ik vrijdag geen studieverplichtingen heb. Er kan dus allereerst uitgeslapen worden. Lekker. Na een douchje en een ontbijtje is het tijd voor koffie. Lekker. Daarna kunnen huishoudelijke taken verricht worden. Prima voor op een vrijdag. Even een wasmachine laten draaien, even een afwasje doen. Lekker. En fris. Ondertussen tikt de klok de tijd weg. Voor je het weet is het alweer middag. Het zou dan een geweldig goed tijdstip zijn om eens te gaan studeren. Nuttig. Een gitaar wordt gepakt en er wordt wat gezongen. De kans om te studeren is alweer verkeken.
Ondertussen stroomt half Groningen leeg, met treinen en bussen tegelijk. Koffertjes op wieltjes rijden voor mijn raam langs, vervoerd door studenten. Terug naar het ouderlijk huis. Naar Loppersum, naar Baflo, naar Tytsjerksteradiel , wie zal het zeggen? Groningen loopt leeg als een ballon. De gemiddelde leeftijd stijgt met elke vertrekkende trein zo'n vijf jaar. De vergrijzing wordt zichtbaar.
Terwijl de meerderheid van de studenten vertrekt uit deze mooi stad, probeer ik van de vrijdag een nuttige dag te maken. Op de een of andere mysterieuze wijze schijnt dat niet te kunnen. Het lukt me niet. Ik kan me er gewoonweg niet toe zetten. Vrijdag en nuttig liggen beide te spartelen in het water, tussen wal en schip.
Even weer een weekendje bij mijn ouders. Gewoon omdat het leuk is en gewoon omdat het kan. Een beetje uitslapen, een beetje eten, een beetje tv kijken. De leuke stad Assen een beetje verkennen. Weer eens een boek lezen en op internet zoeken naar nieuwe, leuke -en snakkend om ontdekt te worden- muziek. Wijn drinken met mama, muziek luisteren met papa. Slapen op mijn oude bed. Koffie om half 11, thee om 3 uur en wederom koffie om 8 uur. Voorspelbaarheid ten top. Koekjes, chocola en chips present en in de aanslag. Niets moet en alles mag. De dag kabbelt gestaag voort.
En dan is daar opeens die dvd. Die dvd van vroeger, waar we allemaal nog een stuk jonger waren. Papa zonder baard en met een andere haarkleur. Mama met lang haar, krullen en een wel heel erg groot montuur. Broerlief vol trots met zijn eerste Iron Maiden t-shirt. Zuslief met een bobline en een beugel, stuiterend voor de camera. En bovenal; een miniatuurversie van mezelf. Een kleine Gerdien, stil en verlegen. Met z'n allen op bezoek bij opa en oma. Met z'n allen in de achtertuin. Voetbalwedstrijden, verjaardagen, diplomazwemmen. Alles is vastgelegd. In een woord; geweldig!
Oude tijden worden herleefd. Je waant je weer even in een andere periode van je leven. Een periode waarin je nog mocht zeuren om niks, waarin je mocht huilen om niks en waarin je zo verschrikkelijk blij kon zijn met een snoepje. Een periode waarin de zomers altijd zo lang leken en waarin je fantasie zo groot was. Een periode waarin je een beer had tegen wie je alles kon vertellen. Een periode waarin volwassen mensen groot waren en de wereld klein. Een periode waarin alles eigenlijk nog zo simpel was.
En dan stopt de dvd en ben je weer 22. Snoepjes zijn gewoon snoepjes, volwassenen zijn helemaal niet zo groot en aan beren valt bijster weinig te vertellen.
Toch fijn om even terug te kunnen in de tijd. Nostalgie, bedankt!
Dagen gaan voorbij. Er wordt geen actie meer ondernomen. Er wordt niet meer gebeld. Er wordt niet meer over nagedacht. Je gaat door met je alledaagse dingen. Je leert ermee leven. Je doet alsof het er niet meer is.
Toch gek. Eerst denk je: Huh, wat is dat? Nee, het zal toch niet waar zijn? Bah! Vol afschuw kijk je er naar, van een afstandje, van dichtbij. Ja. Het zit er echt. Het is geen schaduw. De contactlenzen werken nog goed. Het is geen hallucinatie van de mogelijk ingenomen drugs van vorige avond. Het zit er. Luid en duidelijk. Langzaam verspreid het zich, beginnend in de hoeken, groeiend naar boven, beneden en alle denkbare richtingen. Donker en vochtig.
Schimmel. Je komt het huis binnen, loopt richting je fijne kamertje, opent de deur en de schimmel verwelkomt je in kleuren en vooral -niet zulke plezante- geuren. Even trekt er een golf van misselijkheid door je lichaam. Na luttele minuten heb je echter al niet meer door in wat voor berenhol je je bevindt. Je zet vrolijk koffie, hangt een frisgewassen wasje te drogen (voor zover het droogt) en zet wat gezellige muziek op. Lekker koekje erbij?
Wanneer er mensen binnen komen en je hun gezicht ziet vertrekken, heb je al niet eens meer door waarom ze dat doen. "Wow, wat is dat op de muur?!" "Ooh dat? Schimmel joh, als soort decoratie. Ook koffie?"
De onverschilligheid groeit, evenredig aan de schimmel. Misschien toch eens iets ondernemen, in het kader van de gezondheid...
Mijn eerste blog, het is er dan toch echt van gekomen...
Nadat ik enkele uren geleden een blog had gelezen van een van mijn vele vrienden op hyves (namen worden niet genoemd) kreeg ik inspiratie om hetzelfde te gaan doen.
"Kom op joh! Schrijf ook eens een blog!" werd geroepen. Ik twijfelde geen moment en nam me voor om een blog te typen. Met dit als resultaat.
Bloggen. Een apart fenomeen. Mensen schrijven hele verhalen. Maar met welk doel vroeg ik mij af. Voor de lol? Voor het zoeken van lotgenoten? Voor het leggen van contact? Of gewoon om andere mensen te irriteren? Voor nog meer vrienden op hyves? Voor het ordenen van de eigen gedachten? Om op te vallen? Om stoer te doen? Nee. Geen van dit alles. Volgens mij is er maar een werkelijke reden om te gaan bloggen. Het gaat om het ontwijken van de studie, want zeg nou zelf... wie blogt, die sogt!
Je typt wat in de ruimte, er verschijnen wat letters op het beeldscherm, je verzint van alles, maar waarschijnlijk geen hond die jouw verhaal gaat lezen. Lekker belangrijk. Hoef je tenminste niet in die boeken te gaan zitten lezen. Die boeken met te kleine letters en teveel pagina's. Die boeken die nog altijd lusteloos in de boekenkast staan. Die boeken die schreeuwen om aandacht, maar dit niet krijgen. Of die boeken die misschien nog in de tas zitten, van het tripje naar de UB, waar je de vorige dag vol goede moed naartoe ging om "even lekker fanatiek de hele dag van half 9 's ochtends tot 10 uur 's avonds te studeren". Die boeken liggen nog in de tas, samen met wat markeerstiften en niet opgegeten mandarijnen.
Ondertussen wordt er volop gemsnd, gehyved, gesmst, gemaild, gebeld en natuurlijk -geblogd-! Ontwijken. Negeren. De kop in het zand. Daar zijn we goed in. Studeren? Nu even niet.